Na twee jaar uitputtende stellingenoorlog aan het Westfront stond het Duitse leger eind 1916 voor een fundamenteel strategisch probleem. De frontlijn, gegroeid uit de improvisaties van 1914, was lang, bochtig, slecht georganiseerd en bijzonder kwetsbaar voor doorbraken zoals bij Verdun en aan de Somme. De Duitse legerleiding kwam tot het besef dat verdere verdediging op deze oude linies niet langer houdbaar was. Het antwoord hierop was geen wanordelijke aftocht, maar een geplande, centraal aangestuurde herstructurering van het front.
Deze strategische terugval werd uitgevoerd onder de operatienaam Unternehmen Alberich. Het doel was meervoudig: het front inkorten, manschappen en middelen vrijmaken, en zich terugplooien op vooraf aangelegde, technisch moderne verdedigingsstellingen, ontworpen volgens nieuwe inzichten in defensie in de diepte.
De terugtocht van begin 1917 was bewust gepland en minutieus voorbereid. Nog vóór de eerste eenheden zich terugtrokken, werden achter het bestaande front nieuwe stellingen aangelegd: niet als één ononderbroken “muur”, maar als een samenhangend stellingensysteem met meerdere verdedigingszones.
Tijdens de uitvoering van Alberich werd het ontruimde gebied systematisch onbruikbaar gemaakt:
- dorpen en infrastructuur werden vernield
- wegen en spoorlijnen opgebroken
- bronnen vergiftigd of afgedamd
- bossen werden gekapt
Deze tactiek van de verschroeide aarde moest de geallieerden vertragen en hun logistiek ontwrichten.